Testament van Anna van Haerst

Testament Anna van Haerst

In 1638 maakte Anna van Haerst haar testament op. De stadssecretaris, Johannes Holt, was daarbij haar ‘momber’: haar voogd ofwel vertegenwoordiger. Anna kon als vrouw immers geen rechtshandelingen verrichten en haar man Emmanuel van Twenhuysen was al rond 1625 overleden. Een afschrift werd op 15 mei aan de schepenen van Zwolle overhandigd, maar dit originele, op perkament geschreven testament werd zorgvuldig bewaard in het archief van de Emmanuelshuizen. Het was immers de juridische grondslag van deze Stichting.

Anna van Haerst was een vermogende vrouw. Nadat zij meest aan verwanten legaten toekende van honderden guldens, liet zij de rest van haar bezittingen, zowel in geld als in goederen, na aan jonker Johan van der Merssche en haar neef dr. Cornelis van Twenhuysen. Die moesten de erfenis gebruiken ‘tot ancoepinge ende fundatie van seeckere behuysingen ende gemacken (kamers)’, voor zover zij dat zelf nog niet gedaan zou hebben. Waarin ‘enige bedaechde en de eerbaere vrouwpersoenen, geduirende die tijt heures levents, bequaemelijck verblijff en de woninge connen ende moegen hebben.’